Deze tekening maakte mijn zoontje een tijdje terug. Ik kijk ernaar en denk niet: wat ontbreekt hier nog? Ik zie geen fouten, geen tekortkomingen. Ik zie vooral wat het al is. De energie, de fantasie, het begin van iets dat zich nog gaat ontwikkelen.

Zo kijken we naar kinderen. We moedigen aan. We zien potentie. We weten dat het nog niet af is, maar dat hoeft ook niet. Bij AI doen we het vaak anders.

We zien een tekst en denken: te generiek, te glad, geen eigen stem. We wijzen aan wat er nog niet is, in plaats van te zien wat er al wél kan. Terwijl we stiekem ook iets anders voelen. Want laten we eerlijk zijn: het is ook gewoon indrukwekkend. Dat een systeem in een paar seconden iets kan schrijven waarvan je denkt: ja, dit durf ik zo te posten met mijn hele netwerk.

En toch overheerst de kritiek. Ik merk dat zelf ook. Ik gebruik AI veel in mijn werk en in mijn schrijven. En ja, ik krijg regelmatig de vraag: zit er nog wel genoeg van jou in je teksten? Is het nog persoonlijk? Eerlijke vraag. En ook een terechte.

Want als je AI gedachteloos gebruikt, verlies je je eigen stem. Dan krijg je precies die generieke teksten waar iedereen zich aan ergert. Maar dat zegt vooral iets over hoe we AI nú gebruiken. Niet over wat het kan.

Want als je iets verder kijkt, zie je een heel andere beweging. In de wetenschap, in de gezondheidszorg, in ICT wordt AI op grote schaal ingezet om dingen te ontdekken die we eerder simpelweg niet konden zien. Nieuwe patronen in data. Nieuwe verbanden. Nieuwe hypotheses. AI wordt daar niet gezien als vervlakking, maar als verdieping. Niet als vervanging van denken, maar als versneller en verbreding ervan.

Dat is de kant waar het interessant wordt. Niet AI als snelle schrijfmachine. Maar AI als denkpartner. Als middel om verder te komen dan je eigen eerste gedachte.

En daar zit voor mij ook de frustratie. We blijven in het publieke debat vaak hangen in die eerste laag. In de snelle, soms wat lege output. En trekken daar conclusies uit over de technologie zelf. Terwijl we eigenlijk nog maar net begonnen zijn.

In de journalistiek zie je nu een vergelijkbare reflex. NRC stelde recent dat AI niet mag meeschrijven aan opiniestukken . Vanuit de wens om auteurschap, een eigen stem en vertrouwen te beschermen. Dat snap ik. Maar het voelt ook als een vrij harde afbakening, op een moment dat we nog volop aan het ontdekken zijn hoe dit ons denken en schrijven juist kan verrijken. Zeker omdat het debat zelf wél wordt geopend, maar de conclusie eigenlijk al vastligt.

Misschien is dat precies het ongemak van deze fase. We zien dat er iets groots gebeurt. We zien ook de ruis, de middelmatigheid, het verlies van nuance op sommige plekken. En onze reflex is om te beschermen wat we kennen. Maar als we alleen beschermen, leren we niet.

Ik geloof niet dat AI mijn stem overneemt. Maar ik merk wel dat het me scherper maakt. Dat het me dwingt om beter na te denken. Om explicieter te zijn. Om mijn eigen ideeën te testen. En ja, soms helpt het me ook gewoon om iets beter op te schrijven dan ik het zelf in één keer zou doen.

Niet minder van mij. Maar meer.

Misschien moeten we daarom niet alleen vragen: hoe houden we AI buiten de deur? Maar ook: hoe worden we er beter in? Hoe zorgen we dat mensen niet vervallen in generieke output, maar juist leren om deze technologie te gebruiken om diepgaander, origineler en scherper te worden?

Hoe houden we het menselijk, terwijl we het ook versterken? Die spanning blijft. En dat is oké. Maar als we alleen kijken naar wat er nog niet goed is, missen we wat er al wél gebeurt. En vooral: wat er nog mogelijk is.

Want net als bij die tekening van mijn zoontje geldt: we staan pas aan het begin.

Ik ben eigenlijk vooral blij dat ik in deze tijd leef. Dat ik de doorbraak van een technologie mag meemaken die op sommige vlakken slimmer is dan wij. Inclusief al het ongemak dat daarbij hoort. Want dat ongemak doet ook iets goeds.

Het dwingt ons om na te denken over wie we zijn, waar we waarde toevoegen en wat ons onderscheidt. Het houdt ons scherp. En misschien nog wel belangrijker: het houdt ons mens. Want waar AI beter wordt in denken, structureren en formuleren, zit onze kracht ergens anders. In voelen. In nuance. In het aanvoelen van wat klopt, ook als het nog niet perfect te verwoorden is.

AI wordt slimmer. Dat is geen vraag, dat is een gegeven. Misschien is de echte vraag daarom niet hoe we dat tegenhouden. Maar hoe wij zelf… menselijker worden.